Naar de inhoud

Stress bij studenten

Veel studenten voelen stress door alle dingen die ze moeten doen

Driekwart van de Utrechtse studenten ervaart stress door alle dingen die ze moeten doen en een bijna even groot deel heeft stress door studiezaken. Stress door eigen problemen en financiën komt bij bijna de helft van de studenten voor. Utrechtse studenten die gestrest zijn vanwege eigen problemen, geven ook aan gestrest te zijn op andere vlakken1.

Percentage studenten dat zich (heel) vaak gestrest voelt over de verschillende onderwerpen.

98 Utrechtse studenten hebben in 2019 meegedaan aan een onderzoek naar stress. 78% hiervan is vrouw en de gemiddelde leeftijd is 23 jaar. Iets meer dan de helft volgt een bacheloropleiding. MBO-studenten zijn niet meegenomen in dit onderzoek. Het merendeel volgt een universitaire opleiding, namelijk 94,6%. 63% heeft geen migratieachtergrond. Zes op de tien studenten woont in Utrecht. 19% woont bij hun ouders. De uitwonende studenten wonen meestal in studentenhuizen. De deelnemers konden zichzelf aanmelden voor het onderzoek via de website van de Universiteit Utrecht. Ook is er een persoonlijke uitnodiging verstuurd aan de studenten die meededen aan een samenwerkingsproject  tussen de gemeente en studenten van de Universiteit Utrecht.  De resultaten van dit onderzoek zijn niet representatief voor alle studenten in Utrecht, maar geven wel een globaal beeld over stress onder studenten1.


Vier op de tien studenten praat (heel) vaak over de stress die zij ervaren

Ongeveer vier op de tien van de bevraagde studenten praat (heel) vaak met anderen over de stress die ze ervaren. Studenten die over stress praten, doen dit het vaakst met vrienden. Tussen de ervaren gezondheid van de studenten en het wel of niet praten over stress lijkt geen relatie te bestaan. Studenten die stress ervaren door alles wat ze moeten doen, praten meer met anderen over de stress die ze voelen1.

Studenten praten het vaakst met hun vrienden over de stress die zij ervaren


Zeven op de tien studenten voelen zich gezond

Iets minder dan driekwart van de Utrechtse studenten in dit onderzoek geeft aan dat zij een (heel) goede gezondheid hebben. Bijna de helft van de ondervraagde studenten geeft aan dat de stress hun fysieke of mentale gezondheid erg beïnvloedt1.


Studenten hebben het gevoel dat zij vooral zichzelf druk opleggen

Bijna negen op de tien ondervraagde studenten geeft aan het gevoel te hebben dat de oorsprong van de ervaren stress voornamelijk vanuit henzelf komt. Daarnaast zegt iets meer dan een derde dat de druk door docenten/universiteit wordt opgelegd, en eveneens een derde zegt dat de maatschappij deze druk oplegt1.


Studenten geven vooral aan te moeten presteren om te voldoen aan hun eigen verwachtingen

Acht op de tien van de Utrechtse studenten die de vragenlijst hebben beantwoord, heeft het gevoel dat zij (heel) vaak moeten presteren om aan hun eigen verwachtingen te voldoen. Deze studenten praten vaker met een professional. De helft van de studenten heeft het gevoel dat zij aan de verwachtingen van anderen moeten voldoen. Daarin noemen zij vooral de verwachtingen van docenten, ouders en vrienden. Deze studenten ervaren een minder goede gezondheid1.

Er is op dit moment grote belangstelling voor het onderwerp stress en psychische gezondheid bij studenten, maar er zijn nog weinig onderzoeksresultaten. De resultaten die er wel zijn, laten tussen 2007 en 2017 geen toename van psychische problemen zien. Onder psychische problemen vielen in een ander onderzoek ernstige angst en depressieve symptomen, vermoeidheid en gebruik van de GGZ. Ook komen psychische problemen bij hbo- en wo-studenten even vaak voor als bij leeftijdsgenoten die niet aan een hbo of universiteit studeren2. Dit artikel lezen

Bronnen

1Co-challenge, 2019, gemeente Utrecht.
2van der Velden, P. G., Das, M., & Muffels, R. (2019). The stability and latent profiles of mental health problems among Dutch young adults in the past decade: A comparison of three cohorts from a national sample. Psychiatry Research, 282(January). https://doi.org/10.1016/j.psychres.2019.112622